Gisteren trokken we met zes kruidenvrouwen door Bulskampveld. Het bos was stil en we konden de bladeren horen vallen. Op ons pad vergezelde een roodborstje ons alsof het een kleine bewaker van het bos was. Zijn kraaloogjes volgden ons nieuwsgierig.
We merkten de frisse, grote niervormige bladeren van look-zonder-look op. We stonden stil en observeerden de plant. Ook nagelkruid liet zich uitgebreid bekijken alsof het ons wou zeggen: Kijk, kijk, hier ben ik weer.
Langs de bosrand vond ik nog enkele bramen, zoet van nazomerzon. Ik vertelde dat ik nu nog zelden een versgeplukte braambes eet en hoe ik deze tijd van het jaar dagelijks een paar zaadmantels van taxus snoep en hoe je alleen het pitje moet uitspuwen. Een oude, wijze man leerde het me tijdens een kruidenwandeling en sindsdien draag ik deze gedeelde kennis mee.
Hondsdraf rees alweer uit de aarde, net als look-zonder-look. Alsof de lente dit jaar een tweede adem nam. We proefden vogelmuur en plukten zevenblad. Onze bestemming was de kruidentuin.
Toen de avond viel, lichtte ginkgo biloba op als een gouden vuurtoren in de kruidentuin. De zuurbes was doffer geworden dan bij ons vorige bezoek. Hop en Sint-Janskruid stonden er verwelkt bij, wachtend op hun winterrust. We spraken over het zachte tapijt van zilverschoon en over heemst. Een enkele klaproos bloeide nog in een verlaten kruidenperk. Het was een exemplaar verdwaald in tijd en plaats.
Later, thuis in Aardenburg, was het al pikdonker. Alleen de hond wachtte. Kom, fluisterde ik, we gaan de nacht in, de polders door. Hij zonder leiband. Ik zonder telefoon. Alleen wij en de duisternis met witte nevels als de adem van het land.
